|
Van ain pronkjewail in golden raand
Geschiedenis van het dispuut Yir’at ‘Adonay
Dispuut in oprichting
De ontluiking van de bloem die Yir’at ‘Adonay heet, moet gedateerd worden in 1971. Ama. Willy ten Hoeve leest in een kerkblaadje over het bestaan van de C.S.F.R. en bezoekt nog in datzelfde jaar de zomerconferentie. De landelijke propaganda-commissaris brengt geneeskundestudent am. Erwin Smelt met haar in contact. Am. Erwin kent op zijn beurt rechtenstudent en oud-klasgenoot am. Wim van Leussen. Via dominee T. Poot, destijds predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Groningen, en via contacten binnen de Gereformeerde Gemeente sluiten nog een paar studenten zich aan bij het drietal. Na de zomer in 1971 starten ze gezamenlijk een bijbelkring. De basis voor Yir’at ‘Adonay is gelegd.
Het eerste voorzichtige contact tussen het groepje christen-studenten en de C.S.F.R. is er in 1972. In augustus spreekt de propaganda-commissaris van het landelijk bestuur in De Civitate de hoop uit dat de kring in Groningen in de toekomst zal uitgroeien tot een C.S.F.R.-dispuut. In 1973 wordt het contact serieuzer. De Groningse bijbelkring heeft inmiddels het lidmaatschap van de C.S.F.R. aangevraagd, want schrijft ama. Willy ten Hoeve in De Civitate, ‘we willen graag contact met gelijkgezinde christenstudenten.’
Of de liefde wederzijds is moet nog blijken. Een afvaardiging van het landelijk bestuur bezoekt de bijbelkring. De kennismaking valt alleszins mee: de Groningse bijbelkring is een ‘goed C.S.F.R.-iaanse kring’, schrijft de landelijke fiscus in januari 1973. Er bestaat echter nog een numerieke belemmering om tot de oprichting van een Gronings dispuut over te gaan: de kring telt acht leden, terwijl artikel 37 van de statuten vermeldt dat tien het vereiste aantal is. Voorlopig wordt de kring dan ook ‘dispuut in oprichting’ genoemd.
Het schijnt de leden van de bijbelkring weinig zorgen te baren. Het groepje studenten groeit uit tot een hechte vriendenkring. Het besef als toekomstig dispuut deel uit te maken van een landelijke vereniging, met allerlei afdelingen in het land, was zo klein als een mosterdzaadje, schrijft am. Jan Steven van der Kolk in de lustrumbundel van 1986. Hij meende in de oprichtingstijd zelfs dat het landelijk bestuur uit was op een eigen succesje: ‘We konden ons niet aan de indruk onttrekken dat de toenmalige besturen graag in de C.S.F.R.-annalen zagen bijgeschreven dat in ‘hun’ jaar een nieuw dispuut kon worden geïnstalleerd.’
In het najaar van 1974 schrijft de landelijke praeses hoopvol: ‘Een voor ons Civitas erg prettig bericht: in Groningen hebben zich vier aspirant-leden aangemeld. Als ik me niet vergis, zit er een goede kans in dat ‘Groningen’ dit jaar een zelfstandig dispuut wordt.’ Maar aan het minimaal vereiste aantal leden werd ook in dat jaar nog niet voldaan.
Het Groningse dispuut is inmiddels op elke landelijke vergadering onderwerp van discussie. Ook op de vergadering van het f.t.-landelijk bestuur met de praesides van alle disputen op 31 mei 1975 in Utrecht, wordt de situatie in Groningen besproken. De notulen vermelden onder het kopje ‘dispuutsleven’: ‘Men acht daar de sfeer op landelijke C.S.F.R.-vergaderingen afwijkend van de plaatselijke en acht het te ‘theologisch getint’. Duidelijk is dat aan Groningen iets gedaan moet worden.’
Am. Erwin Smelt schrijft in zijn eerste praesidiaal in De Civitate in september van 1975 onder het kopje ‘dispuut in oprichting’ dat het een belangrijk jaar wordt, aangezien de hoop aanwezig is dat de kring dispuut zal worden. Nog steeds zijn er echter te weinig leden. Vermanend spreekt am. Erwin daarom zijn bijbelkringgenoten toe: ‘Wij wijzen degenen die meedraaien en nog geen lid zijn er met nadruk op, dat we verwachten dat ze lid worden va n de C.S.F.R. Je kunt toch niet jaren meedoen aan en profiteren van de activiteiten van een vereniging zonder dat je lid wordt.’
Twee maanden later lijkt ook de praeses van het dispuut in oprichting moedeloos te worden. Het praesidiaal van december toont een mengeling van teleurstelling en frustratie: ‘Op 6 november was het dan zover dat we het landelijk bestuur in Groningen op bezoek kregen. Jammer dat er van ons zo weinig waren, en dan zijn we nog wel een groep die dispuut wil worden.’
Zijn voorstel om bij verstek leden te installeren, wordt door het landelijk bestuur afgewezen. (‘Onze president was bang voor een precedent, maar ik (de delinquent) zag het meer als een incident.’) Dringend roept hij de ‘stadjers’ op tot het bezoeken van de Winterconferentie, opdat de Bijbelkring eindelijk een volwaardig C.S.F.R. dispuut kan worden. ‘Ondanks dat het voor verschillende van jullie in verband met tentamens moeilijk zal zijn om naar de Winterconferentie te gaan, wil ik jullie hartelijk oproepen, om toch te gaan en lid te worden. Op deze conferentie zal hopelijk de hamerslag vallen over ons dispuut-worden.’
Donderdag 15 mei 1976 is het eindelijk zo ver. Na de plaatselijke oprichting op 21 april van dat jaar worden niet op de winterconferentie – zoals am. Erwin zo graag gewild had, maar op de paasvergadering tien leden uit Groningen geïnstalleerd: ama. Germa van de Kamp, am. Johan Kruijt, am. Matthijs Janssen, ama. Dicky Palland, am. Lourens Post, ama. Gerda Ronde, am. Jan Ronda, am. Jan van der Steege, am. Johan Visser en am. Klaas Veldman. Geheel volgende de Civitas-mores schrijft abactis Gerda Ronde in De Civitate: ‘Amicae, amici en verder belangstellenden, Het is mij een genoegen U mee te delen dat sinds 15 mei jl. het dispuut in oprichting te Groningen het predikaat ‘in oprichting’ kwijt is. Het nu volwaardige dispuut heeft als naam Yir’at ‘Adonay (zie de vreze des Heeren is wijsheid. Job 28: 28).’
Studentikoziteit
Het verenigingsleven beperkt zich gedurende de jaren zeventig voornamelijk tot de bijbelkringen, die een belangrijke ontmoetingsplek zijn. Voorafgaand aan de tweewekelijkse kring nuttigen de studenten een gezamenlijke broodmaaltijd. Wie de notulen er op naslaat, zal beamen dat het beeld ontstaat van een vooral gezellige vereniging. Soms hebben de leden het wel erg knusjes met elkaar. Het zal geen toeval zijn dat juist tijdens deze dispuutsperiode een aantal leden hun levenspartner vindt. De tweede helft van de jaren zeventig wordt gekenmerkt door heftige discussie over de grondslag van de C.S.F.R. Deze discussie speelt zich vooral op landelijk niveau af. De twee uiterste standpunten worden door Sola Scriptura (Utrecht) en Ichthus (Rotterdam) ingenomen. Hoewel Yir zich als jong dispuut in de formele sfeer afzijdig houdt van deze discussie, worden de Groningse C.S.F.R.-leden door de landelijke perikelen wel degelijk gestimuleerd na te denken over de kerkelijke en theologische discussies. Thema’s als homofilie en de Dordtse Leerregels passeren vooral in de informele sfeer van Yir de revue. De formalisering van studie laat nog even op zich wachten.
Het landelijk bestuur volgt de ontwikkelingen in Groningen op de voet. Meerdere keren komt een afvaardiging van het C.S.F.R.-bestuur op bezoek. Het doet verwoede pogingen het gehele Yir-dispuut tot studie te bewegen. Het is de landelijke praeses Sam Janse die am. Wim van Leussen aanzet tot het lezen van een ‘moeilijk boek’. Hoewel am. Wim De vooruitgang der mensheid van dr. G.C. van Niftrik maar ‘taaie kost’ vindt, is dat voor hem geen reden de lezing van het boek te staken. Gezien het geringe ledenaantal (in 1976 zijn er twee kleine bijbelkringen) is het niet zo verwonderlijk dat studiekringen niet beklijven. De pogingen van meerdere dispuutsbesturen een Institutie-kring van de grond te krijgen, mislukken. De leden zijn nog te zeer bezig het dispuut uit de steigers te krijgen. Tijdens het bestuursjaar van am. Lourens Post (praeses), am. Johan Kruijt (fiscus) en ama. Dicky Palland (abactis) in 1977 en 1978, start de eerste Instutie-kring.
Leren discussiëren en argumenteren is een belangrijk onderdeel van de vorming van studenten. Dat kunnen ook de Yir-leden niet ontkennen. Langzaamaan ontwikkelt het Groningse dispuut zich in de richting van een studentikoze vereniging. Eind jaren zeventig worden ook de tafelgesprekken met bijbehorende ceremoniën en mores ingevoerd. Aan het begin van het collegejaar 1977-1978 vindt iemand dat er een officiële voorzittershamer moet komen. Praeses Lourens Post ontvangt een klein timmermanshamertje. Twee leden zijn echter nog niet tevreden; tijdens een HV overhandigen ze am. Lourens een reusachtige houten hamer. Sindsdien wordt de hamer elk jaar tijdens de bestuurswisseling van praeses op praeses overgedragen. De toon voor een studentikoos dispuut is gezet. De komende jaren zal deze lijn zich doortrekken.
Propaganda
Zonder nieuwe leden zal Yir geen lang leven beschoren zijn. Vandaar dat er naast de praeses, fiscus, en abactis een propaganda-commissaris aan het bestuur wordt toegevoegd. Am. Hotze Oldhoff is in 1976 de eerst geïnstallerde propaganda-commisaris. Maar, schrijft am. Matthijs Janssen in zijn DC-praesidiaal in februari 1977: ‘Het in stand houden van ons dispuut mag geen doel op zichzelf zijn. Het grootste doel is dat mensen die het Woord van God als enige basis voor hun leven hebben mogen leren kennen samen, door woord en Geest geleid, een antwoord mogen vinden op de vragen die in het leven in het algemeen en de ‘wetenschap’ in het bijzonder aan ons stellen.’
Yir’at spijkert in de beginjaren hard aan de weg om studenten die dit doel voor ogen hebben, aan zich te binden. Op de KEI-markt heeft het dispuut samen met het C.G.S.W. een stand. (‘bij de KEI vliegen we de G.S.V.-stand uit.’). Ook binnen de Groningse studentenwereld probeert Yir’at voet aan de grond te krijgen. Namens het bestuur stuurt abactis Carla Feitsma in 1978 een brief naar de redactie van de Universtieitskrant (UK). In een artikel van Rob Meines in de UK ( 5 oktober 1978) over christelijke studentenverenigingen, noemt hij ook de C.S.F.R. Als plaatsbepaling voegt hij daaraan toe dat “vrijwel alleen Gereformeerde Bonders en studenten uit de Gereformeerde Gemeenten lid worden en dat die leden S.G.P.-aanhangers zijn.”
Prompt trekt ama. Carla aan de bel. ‘Dit is onjuist’, laat ze quasi gepikeerd weten. ‘Een kwart van de leden komt uit andere kerken (Christelijk Gereformeerd, Gereformeerde synode), een kwart uit de Gereformeerde Gemeente en de helft uit de Gereformeerde Bond.’ Op de verdenking dat de leden S.G.P.-aanhangers zijn, reageert ze: ‘Hoewel de politieke kleur weinig zegt over de aard van onze vereniging willen we toch stellen dat slechts een klein deel van de leden de S.G.P. aanhangt. De meerderheid houdt het bij R.P.F. en C.D.A. Een telefoontje naar ons was voldoende geweest om deze missers te voorkomen.’
Inmiddels kent de vereniging 25 leden, zoals het abactiale jaarverslag in 1981 vermeldt. Toch is het aantal voor de Propagandacommissie nog niet bevredigend. In mei van dat jaar wordt ‘de grote pizza-prijsvraag’ uitgeschreven. Degene die de propagandacommissie namen van potentiële C.S.F.R.-leden kan leveren, wint een pizza Elcalo. Informeer eens bij familie, vrienden, kennissen of kerkenraad!, spoort de eerstejaarscommissie aan.
Groniek
Elke vereniging die zichzelf een beetje serieus neemt, heeft een eigen dispuutsblad. Dat beseft zich ook een aantal leden van Yir’at ‘Adonay. Ama. Marlies Staal bericht over de bevalling van het ‘clubblaadje’: ‘Als het jullie is opgevallen dat ons eerste kind (afgezien van ons adoptiekind Kariadi) eigenlijk één brok informatie is, dan vergis je je niet. We hebben alles wat er om en in het dispuut reilt en zeilt maar eens op een rijtje gezet en zo is het kind dan ter wereld gekomen.’
Het dispuutsblad van Yir is geboren. In september 1979 verschijnt het eerste nummer van de Groniek (‘een naam die onze inmiddels naar Amerika vertrokken doctor Wolter ten Hoeve op een goed moment is ingevallen’).
Wie de huidige Groniek kent, zal enigszins verbaasd zijn wenkbrauwen fronsen bij het aanschouwen van de eerste jaargangen. De eerste vijf jaargangen van zijn bestaan verschijnt de Groniek in A-4 formaat op bruinachtig kringlooppapier. Op een HV in 1984 wordt een commissie ingesteld die de voor- en nadelen moet gaan onderzoeken van kringlooppapier dan wel hagelwit papier. Uiteindelijk wint het duurzamer witte papier het van het bruine recycling-papier.
Ook de inhoud van destijds verschilt nogal van de huidige Groniek. Niemand zal in 2001 een gedicht van Jodocus van Lodenstein of Isaäc da Costa in het dispuutsorgaan aantreffen. Overigens mag niet onvermeld blijven dat ook de cabaretier Toon Hermans een plaatsje is gegund. Tuk als men is op persoonlijke weetjes, is af en toe de rubriek ‘wist je dat’ opgenomen. Daarnaast behoort het zondagse koffierooster tot de vaste ingrediënten. Verder bevat de Groniek zoals gebruikelijk een meditatie, syllabi en verslagen van lezingen, een praesidiaal, fiscaat en abactiaat.
Bang dat de inhoud tekort schiet, schrijven am. Henk van Pijkeren en ama. Dicky Palland een vurig pleidooi voor het koningshuis. De ondertitel van het artikel over ‘de zin van de monarchie’, luidt naar Prediker 4: 12b: ‘ende een drievoudigh snoer en wort niet haest gebroken.’ In de Groniek verbazen beide scribenten zich erover dat “velen geen oog hebben voor de historische ontwikkeling vanuit het drievoudige snoer; God, Nederland en Oranje.”
Het debat over het koningshuis heeft in twintig jaar aan actualiteit niets ingeboet; de plaats van de monarchie staat nogal eens ter discussie. Er is kennelijk niets nieuws onder de zon. Toch zou een artikel over de zin van de monarchie in 2001 onmiddellijk een afstraffende reactie oproepen. Heden ten dage zal niet iedereen op de civitas zijn voorkeur voor de staatsvorm van de monarchie kunnen uitspreken.
Vrouw
Het zal geen bevreemding wekken wanneer Yir’at ‘Adonay vragen aan de orde stelt, die tegelijkertijd in het gereformeerde kerkelijk leven een rol van betekenis spelen. Als het Groningse C.S.F.R.-dispuut echter uitvoerig stil staat bij de positie van de vrouw, is dat op zijn zachtst uitgedrukt toch verbazingwekkend, en zelfs enigszins lachwekkend te noemen. Begin jaren tachtig staat Yir diverse keren stil bij de positie van de vrouw in de maatschappij.
In januari 1980 houdt dominee L.J. Geluk een lezing over ‘de ambten’. Praeses Lourens Post bericht in DC: ‘Op deze avond was het vooral de geanimeerde discussie (inderdaad, over de vrouw en het ambt) die door iedereen gewaardeerd werd. Ook in de informele gesprekken deed deze discussie nogal wat stof opwaaien.’
Tijdens de bestuursverkiezingen in 1980 dienen leden in het kader van de emancipatie een tegenbestuur in dat volledig uit vrouwen bestaat. Over elke kandidaat wordt afzonderlijk gestemd en lang niet iedereen stemt elke keer voor de kandidaat van het bestuur. Uiteindelijk worden de door het zittende bestuur voorgestelde namen toch verkozen, zij het met steeds een of twee stemmen verschil. De vergadering levert hilarische taferelen op.
Tijdens het eerste lustrumweekend in mei 1981 worden twee lezingen over de positie van de vrouw gehouden: ‘Vrouw in kerk en samenleving’ en ‘de vrouw in het gezin’. De interesse in de vrouw geeft zelfs aanleiding tot de aanvraag van subsidie bij de Gereformeerde Bond voor een dispuutsweekend. In een brief van am. Jan Pul (abactis) en am. Henk van Pijkeren ( namens de lustrumcommissie) wordt de Bond gevraagd het tekort van 450 gulden op te vullen. Nadrukkelijk wijzen de amici op het belang van het weekendthema: ‘We willen hierbij aantekenen dat dat ons onderwerp: ‘De positie van de vrouw in kerk, gezin en samenleving’ erg actueel is, ook in Gereformeerde Bondskring (zie de recente artikelen in de Waarheidsvriend en het boek van dominee Van Sliedregt Vrouw in kerk en samenleving)’ Of de aanvraag succes heeft gehad is niet te achterhalen. De begrotingscijfers zijn helaas niet terug te vinden.
Principes
Hoewel er door de jaren heen wel accentverschuivingen plaats hebben gevonden, komen de leden van Yir uit de volle breedte van de reformatorische kerkgenootschappen. Door de jaren heen zijn er diverse principiële discussies gevoerd. ‘Wat voor ledenbeleid moet Yir voeren?’ en ‘wat is de betekenis van de grondslag van het dispuut?‘ zijn vragen die om de zoveel tijd naar boven komen. De relativering en ontnuchtering van de soms felle discussie komt jammer genoeg veelal achteraf pas. Begin 1982 zijn er nogal wat perikelen rond de aanstelling van een nieuwe propaganda-commisaris. Het gaat om een enthousiast Yir-lid, dat echter van synodaal-gereformeerde komaf is. Voor sommige dispuutsgenoten is dit aanleiding hun twijfels uit te spreken. Kan een synodaal-gereformeerd lid wel voldoende invoelend vermogen en voldoende reformatorische uitstraling hebben voor potentiële aspirantleden uit de rechts-gereformeerde gezindte, is de vraag die bij een aantal leden leeft. Gelukkig kan deze bijna-crisis in de kiem worden gesmoord. Ongeveer vier jaar later steekt een andere discussie de kop op. Een aantal leden heeft op de terugweg van het eerstejaarsweekend in Roden op zondagmiddag ergens een kop koffie gedronken in een restaurant. De meningen lopen uiteen. De een meent dat het een privéaangelegenheid betreft, terwijl een ander vindt dat de zondagse restaurantbezoeker berispt dienen te worden.
Elfstedentocht
In de winter van 1985 wordt de langverwachte dertiende editie van de elfstedentocht verreden. Ama. Anneke ten Brinke en ama. Jos Rigterink willen graag de start van dit grootse evenement om 5.00 uur ’s ochtends op de televisie volgen. Niet veel leden hebben een televisie, maar am. Leo Meijndert en am. Egbert Dijkgraaf zijn de trotse bezitters van een stokoude zwart-wit televisie. In hun woonkamer van de Aquamarijnstraat 139 kunnen de ‘belangrijkste programma’s zoals The A-Team nog juist door de sneeuw worden gevolgd’, herinnert am. Leo zich.
Beide amicae willen dan ook graag komen kijken, maar am. Leo heeft met vroege uren toch aanmerkelijk meer moeite dan met late uurtjes. Bovendien heeft hij op de dag van de Elfstedentocht al vroeg op het Tandheelkundig Instituut een practicum. Ook huisgenoot am. Egbert spreekt zijn veto uit. De dames blijven echter aandringen en tegen de voortdurende druk blijken am. Leo en am. Egbert niet bestand. Onder de strikte voorwaarden dat zij muisstil zullen zijn en bovendien de heren een koninklijk ontbijt-op-bed zullen bezorgen, ontvangen de dames de huissleutels. Volgens am. Leo hebben ama. Anneke en ama. Jos het ontbijt vér boven verwachting verzorgd.
Wanneer am. Leo al weer vroeg van het practicum (er is nagenoeg niemand aanwezig) huiswaarts keert, heeft Evert van Benthem de prijs inmiddels te pakken. Nog meer Yir-leden druppelen Aqua 139 binnen om het volksfeest te vieren. Ook am. Gerard Nuninga, ama. Nienke Douma en ama. Feikje Harder willen niets van de fuif missen. ‘Maar waarom gaan we niet naar de Bonkevaart?’, vraagt iemand zich plotsklaps af. Op stel en sprong neemt de groep de eerstvolgende trein naar Leeuwarden, op weg naar het echte gebeuren.
Hoewel de professionals allang geëindigd zijn, kunnen de amici en amicae nog met volle teugen genieten van het menselijk leed van de amateurs. In het ouderlijk huis van am. Seyo Epema wachten ze, onder het genot van koffie, Beerenburg en een goede sigaar uit de doos van pa, op het moment van de prijsuitreiking door Hans Wiegel in de Friesland Hallen. Om uiteindelijk mee-feestvierend met het volk in de binnenstad van Leeuwarden het vertrek van de laatste trein naar Groningen af te wachten.
Studiekarakter
Het karakter van Yir verandert met het jaar. Leden gaan en leden komen. De verjonging blijkt ook midden jaren tachtig tot een aantal veranderingen te leiden. Op 20 november 1986 schrijft praeses Iede Bakker een brief aan het landelijk bestuur, waarin hij een overzicht geeft van de gang van zaken op Yir. ‘Voor het oog in ieder geval gaat alles hier goed. Wel is er het een en ander veranderd. Er zijn nogal wat ‘oude’ vertrouwde gezichten verdwenen. Ons dispuut is wat afgeslacht en nogal verjongd. Uiteraard heeft dan consequenties voor de hoeveelheid ‘ervaring’ binnen ons dispuut, maar als het goed is, moet een eventueel verstoord evenwicht zich vanzelf weer herstellen. De jongeren worden vanzelf ouder en wijzer’
‘Het gevaar dreigt echter’, vervolgt hij evenwel: ‘De studiezin is niet optimaal. Ik geloof niet dat het vroeger beter was, maar dat is geen reden om ons daarbij neer te leggen. De actualiteitenkring draait net zo onregelmatig als altijd: enkele keren per jaar. (Een half jaar later heeft deze studiekring nog niet een keer plaatsgevonden, blijkt uit een brief van Janneke van den Heuvel op 2 maart 1987 aan het Landelijk Bestuur). De kring met medewerking van dominee Zoutendijk (destijds predikant in de Nederlands Hervormde kerk van Groningen) moet zich voorlopig beperken tot twee kringen over ’het lijden’. Alleen de Institutiekring draait heel goed, met veel deelnemers. Meer kringen zijn er helaas niet. Meer zou er trouwens ook niet mogelijk zijn op ons zeer kleine dispuut (19 leden en 7 aspirant-leden die in het algemeen geen studiekring bezoeken).’ Het geringe studiekarakter lijkt am. Iede ietwat zorgen te baren. Aan het eind van de brief klinkt het een beetje onzeker, als hij de vraag aan het Landelijk Bestuur stelt: ’Wat vinden jullie van ons studiekarakter; zijn jullie daar tevreden mee?’
Gezag
In zijn DC-presidiaal in maart 1987 doet am. Iede Bakker verslag van de Groningse protesten tegen Deetmans plan de studierichtingen Frans en Spaans aan de Rijksuniversiteit van Groningen op te heffen. Am. Iede geeft een opsomming van de diverse protestacties en kan zich bij de klachten wel wat voorstellen: ‘Wat dat betreft zou ik zonder meer m’n handtekening willen zetten tegen de plannen. Niettemin past hier wel voorzichtigheid en weloverwogenheid.’ Schreeuwerige leuzen als ‘Doodziek van Deetman’ acht de Groningse praeses ongepast.
Nog in hetzelfde nummer verschijnt een reactie van am. Cor Verkade, typist van DC. Hij beweert het presidiaal ‘met een almaar stijgende verbazing’ te hebben uitgetypt - een verbazing die gegrond is in am. Cors stellige overtuiging dat het een christen niet past tegen het door God gegeven gezag in opstand te komen (hij haalt Romeinen 13, HC Zondag 39 en NGB artikel 36 aan). ‘Je verwacht dan dat er (op de zin die met ‘niettemin’ begint) een principiële en op de Bijbel gegronde afwijzing zou volgen van het verschijnsel demonstreren. Maar nee hoor, er staat slechts, dat je voorzichtig en weloverwogen moet zijn.’ Dit alles schrijft de typist onder de kop ‘Mag een christen zich godonterend gedragen?’
‘Mag een C.S.F.R.-lid zich gezagsondermijnend gedragen?’ is de vraag die am. Cor in de volgende DC op zijn bordje krijgt. Zes disputaire presides kaatsen in een gezamenlijk artikel de bal terug met de stelling dat als am. Cor zoveel waarde hecht aan geïnstitutionaliseerd gezag, hij ook het praesidiale gezag dient te erkennen. ‘Laat iedere DC-lezer(es) tot zijn of haar botten ervan doordrongen zijn, dat een presidiaal een totaal ander karakter en ontstaansgeschiedenis heeft dan een gewoon artikel. Het heeft ook een geheel ander - noem het: een meer ambtelijk - niveau. Een presidiaal wordt geschreven vanuit een gezaghebbende positie. Daar dient met gepast gezag mee omgegaan te worden.’ Overigens bevat het artikel, ondertekend met ‘presidialiter’, ook meer inhoudelijke argumenten. En in het Groningse presidiaal kan am. Iede zich van lezers verzekerd weten: ‘Dit presidiaal wordt door talloze gretige lezers met argusogen verslonden, tuk als men is op eventuele oproerkraaiende beweringen.’
Studieweekeinden
Yir begint zich in de tweede helft van de jaren tachtig te ontwikkelen in de richting van een dispuut dat zichzelf serieus neemt als het om studie gaat. In 1986 probeert het bestuur de studiezin te bevorderen door er bij alle leden op aan te dringen minimaal één studiekring te volgen. Tot die tijd zijn de kringen van facultatieve aard. Tijdens het herenbestuur van 1988 en 1989, bestaande uit am. Theo van der Louw (praeses), am. Theo Land (fiscus) en am. Bob van Keulen (abactis), krijgt de studie nog meer een structureel karakter. Het bezoek van een studiekring wordt als normaal geïntroduceerd.
Deze structuur blijkt de basis voor een aantal jaren, waarin naast gezelligheid de studie meer op de voorgrond treedt. Leden prikkelen elkaar en warmen elkaar op voor het bestuderen van boeiende thematieken. Het aantal studiekringen neemt drastisch toe. In 1986 en 1987 draaien er twee kringen, in 1992 en 1993 zijn dat er maar liefst zeven. Ook de breedte van het aanbod neemt enorm toe. Waar de kringen zich tot het midden jaren tachtig voornamelijk beperken tot de Institutie, ’het lijden’ of de Nederlandse Geloofsbelijdenis, ligt dat zes jaar later wel anders. De thematieken variëren van ’alternatieve geneeswijzen’ tot ’theologen’. Van ’Wet en Evangelie’ tot ’Bedrijfskunde’.
In 1997 doet het fenomeen studieweekend zijn intrede. Augustinus, Noordmans, en Karl Barth zijn namen waarover een aantal leden zijn hoofd buigt. Am. Arie F. de Fijter, am. Gert-Jan van der Heiden en am. Herman Paul schrijven in oktober 1998 in de Groniek over Das Erlebnis van het studieweekend: ‘Vrijdag 11 september. Groningen stroomt langzaam leeg. Studenten met weekendtassen begeven zich richting het station. Op straat wordt het steeds rustiger. Maar in een wijkje achteraf, op de achtste verdieping van een grauwe flat, worden de gordijnen opengeschoven. De werkweek is voorbij; het leven gaat beginnen (…) Alle aandacht gaat uit naar de wonderlijke theologische wereld die achter het werk van Kart Barth schuilgaat.’
Landelijk
Diverse Yir-leden hebben in het landelijk bestuur van de C.S.F.R. zitting genomen. In 1978 wordt ama. Dicky Palland geïnstalleerd tot abactis. Een jaar later valt am. Henk van Pijkeren halverwege het bestuursjaar in als vice-praeses. Am. Iede Bakker is in 1987 een half jaar vice-abactis. Ama. Christina Snel wordt eind 1990 geïnstalleerd tot fiscus. Deze functie vervult am. Jan Geluk in 1994. Driemaal mag een Groninger de praeses-functie vervullen; am. Gerard Nuninga (1983/1984), am. Frans van der Ent (1989) en am. Anne Geurtsen (1995) Am. Sander van Bezooijen is fiscus in 1996, am. Herman Paul vice-praeses in 2000 en ama. Antonette Smelt abactis in 2001.
(Na 2001 levert Yir nog de volgende Landelijk Bestuursleden: am. Pieter Jan Dijkman, praeses in 2003,
Am. Leendert Klokkenburg, fiscus in 2007, ama. Wilma Wolswinkel, vice-abactis in 2008 en ama. Annemieke ter Harmsel abactis in 2011, RS)
De betrokkenheid van Yir‘at ‘Adonay op de landelijke C.S.F.R is relatief groot. Waar veel grotere disputen het soms laten afweten, geeft Groningen dikwijls acte de présence. Yir heeft in 2000 maar liefst 15 leden die participeren in een landelijke commissie. De geslaagde zomerconferentie in dat jaar is ook georganiseerd door Groningse C.S.F.R.-leden. Gezien de lange reisafstand tot de locatie van vele landelijke activiteiten, is dit lovenswaardig. Zelfs als het gaat om de hoogte van de collecte-opbrengsten heeft het Groningse dispuut een naam hoog te houden. De opbrengst van het Bijbelkringgeld haalt herhaaldelijk het record. Eenieder Yir-lid is maar al te graag bereid zijn maag een beetje op te offeren voor het goede doel. Desondanks zien meerdere Yir-besturen aanleiding tot het opnemen van een beleidspunt ‘landelijk’. Hoewel landelijke HV’s veelal door een handjevol noorderlingen worden bezocht, is dit niet een specifiek Gronings probleem. Ook disputen elders in het land, kampen met deze kwestie. C.S.F.R.-leden worden logischerwijs primair lid op disputaire gronden.
Een enkele misstap kan elk dispuut zich veroorloven. Toch is het daarom niet minder spijtig te noemen, wanneer het om een foutje gaat van Yir en een schijnbaar rebelse geest vat op het Groningse dispuut heeft gekregen. Op een landelijke vergadering in 1996 neemt Yir het initiatief tot een voorstel waar ieder C.S.F.R.-lid nog steeds de wrange vruchten van plukt. Op de HV van 27 juni dienen maar liefst 27 leden van Yir‘at ‘Adonay een motie in, waarin wordt voorgesteld het verplichte Wapenveld-abonnement af te schaffen. Enkele bedrijfskundestudenten hebben berekend dat de kosten/baten-analyse negatief uitvalt. Ook zou de band met de R.R.Q.R. te verwaarlozen zijn. Andere redenen zijn: ‘de oud-papierbak trekt het niet meer’ en ‘DC moet eerst maar eens voor 100% gelezen worde’n.’ Verrassend genoeg blijkt een deel van de vergadering achter de intentie van de motie te staan. Gelukkig komt het niet tot een gehele afschaffing. Een aantal leden dient een amendement in, waardoor C.S.F.R.-leden Wapenveld vanaf hun derde jaar in de bus krijgen.
Drank
‘Hoog houdt Yir de amicale band’ is de bekende regel uit het landelijk lied van de C.S.F.R. Een brallende enkeling wil nog wel eens de klemtoon anders leggen: ‘Hooghóudt Yir de amicale band’. Hoewel de toespeling op de Groningse distilleerderij niet altijd voor iedereen duidelijk is, moet zij toch zeker herkenning bij am. Klaas Mateboer en am. Arend Jan Cuperus oproepen. In 1995 komen de alcoholdampen eenieder op de negende verdieping van de Saffierflat tegemoet. Met behulp van een ingewikkelde buizenconstructie weten de beide amici sterke drank te stoken. Het zal geen verbazing wekken als am. Klaas en am. Arend Jan het hoogste woord voeren op HV’s. Ama. Marleen van der Louw vermeldt in haar abactiale jaarrede in 1996: ‘Van de in de zaal zittende leden hebben onze Berenburgstokers het vaakst het woord gevoerd. Klaas gaat voorop met 22 vermeldingen, daarna komt Arend Jan met in totaal 21.’ ‘Zou hier nog een reden voor zijn…?’, laat ama. Marleen er veelzeggend op volgen.
De barcieleden am. Gert-Jan van der Heiden, am. Frans Klok en am. Ben Schouten laten zich bij de bestuursverkiezingen in 1998 zelfs door de filosoof Blaise Pascal inspireren bij het schenken van alcohol: ‘Te veel en te weinig wijn. Geef hem er niets van en hij kan de waarheid niet vinden. Geef hem er te veel van en hij kan het evenmin.’ De drie werpen zichzelf op als tegengestuurd en doen een poging het dispuut de bedwelmen. ‘Opdat U het dispuut weer recht in het vizier krijgt’, schreeuwt de verkiezingsflyer.
Ondanks verwoede pogingen slaagt het drietal er niet in, het voorgestelde f.t.-bestuur in de verkiezingsstrijd te verslaan. Dit neemt niet weg dat de commissie een complete ‘Beleids-disussie nota’ schrijft. Barcie ‘98 (‘Piekuur semper!’) voelt zich duidelijk tekort gedaan als commissie: ‘Zo kan het niet langer! Onze positie is een andere dan een veredelde schoonmaakcommissie.;
De Berenburg van am. Klaas en am. Arend Jan zal dikwijls de aanzet hebben gegeven tot goede gesprekken in de nachtelijke uurtjes - immers; het is wetenschappelijk bewezen dat een lichte mate van alcohol tot een diepgaand gesprek kan leiden. De kunst is natuurlijk te streven naar de juiste verhouding alcohol, om samen met Pascal en de Barcie ‘98 te spreken. Hoe het ook zij: vanuit de amicitia ontstaat de mogelijkheid tot goede gesprekken. ‘Hoog houdt Yir de amicale band’ is ook bekend bij andere disputen. Het Groningse dispuut heeft een naam hoog te houden op het amicale gebied. Het relatief kleine aantal leden en de Yir-enclave in Vinkhuizen zullen daar ongetwijfeld aan bij hebben gedragen.
Identiteit
Het halfjaarthema van 1998 en 1999 staat in het thema van ‘Identiteit’. Twee jaar later is het thema ‘christen anno domini 2000’ Yir‘at ‘Adonay blijkt steeds meer behoefte te hebben aan de meer laagdrempelige thema’s, onderwerpen die dicht aansluiten bij de belevingswereld van veel Yir-leden. Tegelijkertijd blijkt het studiekarakter in toenemende mate op een creatieve manier te worden aangeboden. Studeren moet, na een ‘terugval’ - zoals sommigen het duiden, weer spannend worden. Het amusementsgehalte moet omhoog. De ‘Kunst, Literatuur en Muziek’-kring bezoekt musea, bewondert het architectonisch hoogstaande Gasunie-gebouw en bekijkt de verfilming van Bordewijks Karakter. De ‘Rome en Reformatie’-kring trekt zelfs naar een klooster in Diepenveen voor een mystieke ontmoeting met de wereld van de monniken. Een nieuwe vorm van studie, die kennelijk nodig is om te voldoen aan de eisen van de tijdsgeest.
Op een ander vlak zijn er ook verschuivingen op Yir waar te nemen. De C.S.F.R. heeft in het ledenbestand te maken met een behoorlijke verscheidenheid van kerkelijke achtergronden. Het is de diversiteit die de vereniging tot een boeiende gemeenschap maakt. Doorgaans is de verscheidenheid in drie stromingen in te delen - de bevindelijk-gereformeerde, de orthodox-gereformeerde, de evangelicaal-gereformeerde. Een eventueel vierde accent wordt gelegd door een zogeheten modern-gereformeerde groep. Ook Yir‘at ‘Adonay kent door de jaren heen deze diversiteit aan mensen. De laatste jaren lijkt het accent echter te verschuiven. De evangelicaal-georiënteerden lijken de laatste jaren in opmars te zijn. De zondagse sing-ins tijdens dispuutweekenden zijn inmiddels een vast gegeven. Tijdens de Bijbelkringen worden, naast de gebruikelijke drie of vier psalmen uit de oude berijming, een relatief groot aantal Ichtus-liederen gezongen. Tegelijkertijd blijkt het aantal bevindelijk-gereformeerden af te nemen. De orthodoxe middengroep blijft stabiel.
Dit is natuurlijk een ontwikkeling die niet op zichzelf staat. In toenemende mate wordt de evangelicale stroming erkend als een serieus te nemen stroming. Ook binnen de protestantse kerken rukt de evangelicalisering op. ’In tal van kerken klinken de opwekkingsliederen en vele jongeren houden gebedskringen, bezoeken praise-avonden enzovoorts. Ook het geloof der ouderen wordt erdoor beïnvloed. ‘De vertrouwelijke omgang met God maakt indruk, evenals de blijmoedigheid en het vaste vertrouwen’, staat er in september 1997 in Wapenveld te lezen. De R.R.Q.R. vindt de ontwikkeling interessant genoeg er een heel congres (getiteld ’De evangeliekaalslag van het gereformeerde leven’) aan te wijden. Zo bezien is de evangelicalisering op Yir‘at ‘Adonay geen op zich zelf staande ontwikkeling. Het is een logisch gevolg van de accentverschuivingen binnen kerkelijk Nederland, zou men denken. Toch is het relatief grote aantal evangelicaal-gereformeerden op Yir opvallend te noemen, wanneer men de cijfers van de C.S.F.R. er op naslaat. Opvallend; want uit het vice-abactiale jaarverslag van het Landelijk Bestuur van 2000 blijken de percentages van de kerkelijke achtergrond van de leden van de C.S.F.R. tussen 1991 en 2000 nagenoeg stabiel te zijn gebleven. De cijfers duiden eerder op een lichte stijging van de bevindelijk-gereformeerden en een daling van de evangelicaal-georiënteerden. Grote kans dat een sing-in op Zondagmiddag op een C.S.F.R.-dispuut elders in het land op weerstand zal stuiten.
Toch blijken de Yir-leden de lieve gitaarklanken ook wel eens beu te zijn. Tijdens de HV op 11 april 2001 dient een drietal leden een motie in, waarmee de mogelijkheid wordt geboden lekker met elkaar te botsen. Am. Frans Klok schrijft in zijn praesidiaal in maart over de omgang met elkaar op het dispuut. ‘Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat we compleet langs elkaar heen leven, dat wil zeggen dat het ons niet wezenlijk interesseert wat de ander denkt en waarom hij/zij denkt en doet zoals hij/zij doet. Dat zou funest zijn. (…) De tweede mogelijkheid is dat we het met elkaar ‘volhouden’, omdat we juist gebruik maken van de diversiteit. We waarderen haar positief en gaan het gesprek met elkaar aan. (…) Dat is de uitdaging voor ons als dispuut.’
De motie-indieners nemen echter geen genoegen met deze twee mogelijkheden. Ze constateren dat er een derde mogelijkheid is. De jaarlijks terugkerende kermis is weer in Vinkhuizen beland. ‘Laten we eens lekker met elkaar botsen in de botsautootjes’, is het voorstel. De drie roze muntjes voor het bestuur zijn al gekocht. Waarop een ieder naar het plaatselijke marktplein trekt. ‘Eindelijk kan ik die Bonder te grazen nemen’, denkt de evangelicaal.
In de volgende jaren is de scheiding tussen de evangelicalen en bevindelijken langzaam minder zichtbaar geworden. Verschillen in opvatting werden niet langer gezien als problemen, maar als mogelijkheden tot voor beide partijen leerzame discussies. Wel is duidelijk dat de evangelicaal-gereformeerde groep de overhand heeft genomen.
Een belangrijke ontwikkeling in de jaren na het 5e lustrum van het dispuut heeft betrekking op de relatie met de landelijk. Am. Pieter-Jan Dijkman spreekt in 2001, zijn jaar als praeses van Yir’, nog over een situatie waarin ‘de betrokkenheid van Yir’ at ‘Adonay op de landelijke C.S.F.R. relatief groot is’, maar in de volgende jaren brokkelt de betrokkenheid steeds verder af. Waar in 2000 nog liefst 15 leden van Yir’ participeren in landelijke commissies, levert Yir’ in de volgende jaren elk jaar hooguit een stuk of 5 commissieleden, en landelijke activiteiten worden maar mondjesmaat bezocht.
Assessoraat?
In het jaar van Bestuur-Dijkman wordt ook de discussie over de mogelijke komst van een vierde bestuurslid weer aangezwengeld. In een artikel in de Groniek van januari 2002 pleit het bestuur voor de komst van een assessor, om het takenpakket per bestuurslid te verkleinen en omdat de externe vertegenwoordiging van Yir veel beter moet. Een ander voordeel dat genoemd wordt is dat er meer inbreng, creativiteit en inventiviteit binnen het bestuur komt, en dat het bestuur een nog betere afspiegeling van het dispuut wordt. Nadelen zijn de omschakelingskosten (er moet een nieuwe wet gedrukt worden) en het feit dat de besluitvaardigheid binnen het bestuur lastiger zal worden, omdat men niet langer uit een oneven aantal mensen bestaat.
Bovenstaand voorstel wordt met een paar stemmen verschil verworpen. Eind 2003 wordt de discussie wederom geopend, nadat een werkgroep is gevormd die de voor- en nadelen van een vierde bestuurslid gaat onderzoeken. Deze werkgroep concludeert in het artikel ‘bestieren met z’n vieren’, in de Groniek van september 2003 dat de vereniging simpelweg te groot is geworden om door 3 personen bestuurd te worden, en dat het dus hoog tijd is voor een assessor. Uiteindelijk wordt het voorstel later dit jaar aangenomen, zodat in 2004 Bestuur-Meinema wordt geïnstalleerd, met voor het eerst een assessor als aanvulling, ama. Gerdien van Nieuwenhuizen.
Genootschapscultuur
Een mijlpaal in de geschiedenis van Yir is een borrel op 1 november 2001, in de Drie Gezusters, georganiseerd door de amicae Naomi Apers, Rieneke Klok en Janneke Oosterman. Dit was namelijk geen normale borrel, maar de officiële oprichtingsborrel van ‘Sigarendispuut Vive la Cigar’.
Dit genootschap was geen erg lang leven beschoren, maar is wel erg belangrijk geweest voor Yir, omdat het de grondlegging betekende van een genootschapscultuur op het dispuut.
Na ‘Vive la Cigar’ volgden nog het zeilgenootschap ‘Mayday’ en vrijgezel herengenootschap ‘Cum Viro Et Potentia’, allen genootschappen die zich niet bezighielden met de gang van zaken op het dispuut maar zich slechts onderling vermaakten.
Op 22 november 2004 wordt het Groningsch Corporaal Studenten Heerengenootschap Ut Lex Omnibus Discetur opgericht. In een artikel in de Groniek wordt kenbaar gemaakt dat dit genootschap niet slechts wil genieten van de geneugten van het studentenleven, maar vooral wil strijden tegen de wetteloosheid op Yir. Het genootschap is, zo schrijft men, opgericht uit ‘droefenis om het gebrek aan respect, de schaamte voor, en liefdeloosheid ten opzichte van de Wet, Statuten en Mores van het dispuut Yir’at ‘Adonay exeuntis de Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato’
De heeren die tot dit illustere Heerengenootschap behoren zijn herkenbaar aan de rood-zwarte dassen en het ruime gebruik van drank en sigaren.
Na het Heerengenootschap begon de opkomst van de genootschapscultuur pas echt. Literair damesgenootschap ‘Christine de Pizan’ hield zich bezig met literaire analyses, damesgenootschap ‘Sapienta Supramis Comis Est’ maakte zich hard voor meer amicaliteit op het dispuut, en de Heilige Orde der Nolascoïeten probeerde te werken aan bewustwording rond het thema ontwikkelingshulp en andere charitatieve aangelegenheden. In de afgelopen jaren hebben zich nog enkele genootschappen aan deze rij toegevoegd. In 2006 werd Groningsch Damesgenootschap Chapeau opgericht, immer herkenbaar aan het glas Martini en zich profilerend als kritisch en stijlvol.
Nog recenter, in 2010, werd het Groningsch Heerengenootschap Ad Fundum opgericht, door amici die zichzelf tot doel hebben gesteld de studentikoziteit op Yir verder te bevorderen.
Brassen
In de afgelopen jaren drong ook het fenomeen brassen door in Groningen. In maart 2007 werd ama. Wilma Wolswinkel, destijds assessor in Bestuur-Klok, ontvoerd door enige leden van het Wageningse C.S.F.R.-dispuut Dei Gratia, kort voor aanvang van een HV. Onmiddellijk werden de voorbereidingen getroffen voor een passende reactie. Enkele auto’s met strijdlustige amici spoeden zich naar Wageningen, waarna mevrouw de assessor midden in de nacht met gepast geweld kon worden ontzet, zodat de naam van Yir’at ‘Adonay niet te schande zou geraken en een duidelijk signaal kon worden afgegeven richting de disputen in den lande: met Yir valt niet te spotten!
In de volgende jaren vonden er elk jaar wel acties plaats. Bij elk van deze acties viel op dat bij de andere disputen groot ontzag heerst voor de daad- en slagkracht van Yir, en dat de bereidheid om met een passende reactie te komen bij sommige disputen erg tegenviel.
Een hilarisch voorbeeld hiervan vond plaats in 2009. Twee bestuursleden van het Utrechtse dispuut Sola Scriptura werden door Groningers ontvoerd, en werden pas vrijgelaten na de toezegging uit Utrecht dat men een spandoek aan de Dom zou hangen met de tekst ‘Er gaat niets boven Groningen’
Als reactie hierop vatten de Solisten het snode plan op de toenmalige fiscus van het Yir-bestuur te gijzelen, am. Jarno van Duinen. De actie werd voorbereid, en toen het moment daar was werd mijnheer de fiscus op brute wijze meegevoerd naar Utrecht. Althans, dat dacht men.
In Utrecht aangekomen bleek al snel dat men een wel heel domme fout had begaan, de gijzelaar bleek niet am. Jarno maar diens tweelingbroer am. Wijnand te zijn! Als klap op de vuurpijl wist am. Wijnand ook nog eens binnen de kortste keren te ontsnappen en op zijn gemakje terug te keren naar Groningen.
Vooruitgang
In het jaar 2007 laaide op het dispuut de discussie over de bestuursverkiezingsprocedure weer op. Vooral door het Heerengenootschap Ut Lex Omnibus Discetur werd fel gestreden voor een meer transparante procedure. De op dat moment gangbare procedure, waarbij het bestuur naar aanleiding van een enquête waarvan de resultaten niet openbaar werden gemaakt, een f.t.-bestuur voorstelde, werd als schimmig en fraudegevoelig gezien. Door Bestuur –De Graaf wordt dit punt op een HV in behandeling genomen, waarna een nieuwe procedure wordt gekozen. De resultaten van de enquête zijn in het vervolg openbaar, zodat voor iedereen duidelijk is hoeveel draagvlak er is voor bepaalde kandidaten.
In de afgelopen 5 jaar is Yir’at Adonay sterk gegroeid. Waar het dispuut bij het vorige lustrum nog ongeveer 80 leden en aspirant-leden telde, staat de teller inmiddels op bijna 120. Yir is doorgegroeid tot een dynamisch, hecht en steeds studentikozer dispuut. Op HV’s durft vrijwel niemand meer in vale jeans en t-shirt te verschijnen, jas-das is het devies. Op borrels en andere geschikte gelegenheden klinken tegenwoordig niet meer alleen het landelijk lied en het dispuutslied, maar ook het Io Vivat en zelfs een heus brallied, officieel ‘Lied Hanekamp’ geheten, naar de praeses van de LiedCie die het lied schreef. Verscheidene genootschappen koesteren een gezonde rivaliteit, die dikwijls wordt benadrukt door felle discussies en wederzijdse studentikoze acties.
Wat in de afgelopen 35 jaar nooit veranderd is, is dat Yir nog immer een thuishaven voor de reformatorische studenten in Groningen is die verder kijken dan hun studie en zich graag willen verdiepen in allerhande maatschappelijk relevante onderwerpen. De tweewekelijkse Bijbelkringen bieden nog immer een houvast voor het omgaan met de vraagstukken en uitdagingen die het omgaan met de niet-christenen om ons heen met zich meebrengen. We mogen er al 35 jaar trots op zijn een dispuut te zijn waar iedereen elkaar kent, en waar men altijd voor elkaar klaarstaat. Deze basis zal ook in de komende jaren wel blijven bestaan.
‘Op volle kracht!’, was 5 jaar geleden het thema voor het VI e lustrum. Op volle kracht zijn we gegaan, en zie ons nu eens staan: in de zevende hemel!
Amicale groet,
Rick Smits
Lustrumcommissie 2011
P.S. Deze historische verhandeling is voor een groot deel geschreven door am. Pieter Jan Dijkman, voor de lustrumbundel ter ere van het Ve lustrum van Yir’at Adonay. (Van ain pronkjewail in golden raand, lustrumbundel 2001) Door mij is hier slechts een verhandeling aan toegevoegd over de jaren 2001-heden.
|