|
De Civitas Studiosorum in Fundamento Reformato
De C.S.F.R. in kort bestek
'Als vanzelf zijn we ertoe gekomen'
Aldus één van de oprichters van de C.S.F.R. Eerst waren er de onderlinge contacten en vervolgens kwam de gedachte aan een civitas op. Deze onderlinge contacten tussen studenten, voornamelijk uit de gereformeerde gemeenten, resulteerden aanvankelijk slechts in kringen die het calvinistische gedachtengoed en de beginselen van de SGP bestudeerden, maar in 1949 werd er een eerste zomerkamp georganiseerd in het Gelderse Wapenveld. Op een tweede zomerkamp werd 'Wapenveld' een 'calvinistisch maandblad voor academici' opgericht en in het derde jaar, 1951, werd besloten de C.S.F.R. op te richten met disputen in Utrecht, 'Sola Scriptura', en Delft, 'Johannes Calvijn'.
'Niet uit opportunisme'
De bevindelijk-gereformeerde bevolkingsgroep is lange tijd een bevolkingsgroep van 'kleine luiden' geweest. Zelfs toen de nazaten van de Doleantie in de Gereformeerde Kerken in Nederland een hechte zuil gevormd hadden en het opleidingsniveau niet onderdeed voor dat van de andere zuilen, was het in kringen van de gereformeerde gemeenten iets bijzonders als men ging studeren. Herkenning van elkaars vragen en posities hebben de oprichters bijeengebracht, aanvankelijk op plaatselijk niveau en later ook landelijk: konden zij nog wel functioneren in het neo-calvinistische klimaat van de S.S.R.? Hoe stonden zij eigenlijk ten opzichte van hun eigen achterban?
G. van Leijenhorst stelt dat hij en zijn generatiegenoten geconfronteerd werden met zo veel nieuwe dingen:
- met tal van opvattingen die als vaststaand werden gepostuleerd, maar die niettemin schuurden met datgene wat wij van huis uit hadden meegenomen, en dat wij ook te waardevol vonden om te verliezen.
- met het bonte leven van de grote stad dat boeiend op je afkwam, maar dat evenwel je persoonlijk leven niet mocht beschadigen.
- maar ook kwam je in aanraking met de idealen die men in de opbouwperiode na de oorlog koesterde, in kerk en samenleving en in de politiek, om nieuwe wegen in te slaan, niet alleen om ons land er weer bovenop te helpen, maar ook om een betere toekomst te scheppen.
Duidelijk is de waarde die gehecht werd aan dat wat men van thuis had meegekregen. Men wilde zich niet afzetten tegen de waarde en waarheid van de gereformeerde traditie en de bevindelijke stroming daarbinnen, maar zich erin verdiepen en daarover helderheid krijgen. Vanuit deze overtuiging wilde men ook de gereformeerde beginselen ingang doen vinden in politiek, wetenschap en cultuur.
In de loop van de jaren is de C.S.F.R. verbreed van een smal stroompje tot een brede rivier: het aantal leden nam toe, er werden nieuwe disputen opgericht en vanzelfsprekend nam ook de verscheidenheid in achtergrond van de leden toe. Was in 1949 het grootste deel, zo niet 100% van de leden lid van de gereformeerde gemeenten, nu ligt dit percentage landelijk rond de 30%, met 55 % hervormden en 15% overigen. Samen met de ontwikkeling van het reformatorisch volksdeel heeft dit gezorgd voor een meer heterogene C.S.F.R., waarin mensen met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten.
Het is overigens sowieso moeilijk om een eenduidig beeld te schetsen van de vereniging: bekend is dat houding en gewoonten per dispuut verschillend zijn. Voor een deel is dit te verklaren door de kleur en sfeer van stad en universiteit. Ook het geestelijke klimaat loopt uiteen van dispuut tot, mede door de 'kleur' van de instromende leden.Verder moet opgemerkt worden dat ook de positie van de student, zowel binnen de kerkgenootschappen als binnen de maatschappij als geheel, een andere is dan in 1949. Dit brengt ons bij het studiekarakter.
Immers, niet alleen het geestelijke klimaat, ook het studieklimaat op de vereniging is veranderd. De bijbelkring is opgekomen en heeft een centrale plaats gekregen. Alle studieversnellende maatregelen van overheidswege zorgen ervoor dat er prioriteiten moeten worden gesteld, en binnen de C.S.F.R. legt niet iedereen deze bij de studie. Toch wordt ook nu nog in sommige dispuutsbladen en in De Civitate een studiegeest gevonden waarbij de mentaliteit van de doorsnee student kaal afsteekt. Nog steeds onderzoeken civieten wat het inhoudt om 'in Fundamento Refomato' te zijn, nog steeds worden nachten doorwaakt doorgebracht met amicale existentie.
In Fundamento Reformato
Als er één gegeven is dat de C.S.F.R. te danken heeft aan haar oprichters, is dat de formulering van de grondslag, het beginsel van de vereniging:
'De C.S.F.R. heeft als grondslag de Heilige Schrift en aanvaardt als daarop gegrond de drie Formulieren van Enigheid, zoals deze vastgesteld zijn op de Nationale Synode, gehouden te Dordrecht in de jaren zestienhonderd achttien en zestienhonderd negentien, waarin zij zowel de verstandelijke als de bevindelijke zijde van de in de Schrift vervatte waarheden erkent te zijn uitgedrukt.'
Primair oriëntatiepunt en wegwijzer is de bijbel als woord van God. Van een lid van de C.S.F.R. mag worden verwacht dat hij of zij zich alles gelegen laat liggen aan wat de bijbel vraagt en gebiedt. Discussies over de plaats van de Drie Formulieren als grondslag zijn binnen de Civitas van alle tijden. Ook hier bewegen de meningen zich tussen uitersten. Enerzijds een richting die in geen geval wil tornen aan het actuele gezag en de bestudering van de grondslag en anderzijds een richting die de Drie Formulieren hogelijk waardeert, maar aandacht vraagt voor de contextuele betekenis ervan en voor het primaat van de bijbel boven de belijdenisgeschriften.
Als vertegenwoordiger van de eerste groep kan de bovengenoemde ds H. Paul gezien worden. In diverse publicaties pleitte hij voor een heldere koers met de kerkelijk aanvaarde belijdenisgeschriften in het vaandel. Immers, zo meent hij, heeft de Synode van Dordrecht (1618/1619) de Drie Formulieren vastgesteld om daarmee de inhoud van Gods Woord (m.b.t. de erin genoemde leerstukken) door te geven. Daarom gelden zij als daaruit afgeleide norm en richtsnoer voor leer en leven. Voor leden van de C.S.F.R. betekent dit dat de grondslag in welke situatie of discussie dan ook, het samenbindende element behoort te zijn, waarop je elkaar kunt blijven aanspreken.
De tweede groep, die qua benadering vooral verschilt in de manier van omgaan met de belijdenisgeschriften in het leven van alledag, beschouwt deze doorgaans als waardevolle geschriften, waarin leerstellige grondlijnen worden uitgezet. Theologisch bezigzijn, aldus de amici Heikoop en Wienen, moet mede georiënteerd worden aan de Drie Formulieren, als leeshulp bij de bijbel. Verder hebben de Formulieren een juridische functie in het bepalen wie in lijn staat van de gereformeerde traditie. Echter, waar deze laatste functie de overhand krijgt of de enige functie wordt, gaat de C.S.F.R. de mist in.
Tussen bovenstaande posities zal de C.S.F.R. zich in de komende jaren moeten blijven ophouden. Om een gereformeerde vereniging te blijven zal zij zich moeten inspannen om haar nieuwe leden in de eerstejaarskringen en in het patronaat (zie ook de hoofdstukken 4 en 2) een beredeneerde en loyale houding ten opzichte van de grondslag aan te leren.
Met alleen het benadrukken van de waarde en het gezag ervan bereikt men niet veel, maar als een goede modus gevonden wordt om de grondslag toe te passen op situaties en vragen die zich voordoen in het leven van alledag, kunnen de Drie Formulieren voor individuele leden in hun geloofsrealiteit voor het gesprek op bijbelkring en studiekringen van grote waarde zijn.
Doelstelling
De doelen van de C.S.F.R. bestaan in:
-
Het zowel plaatselijk als landelijk contact tot stand te brengen tussen studenten, die zich op de grondslag van de C.S.F.R. stellen;
-
Het bestuderen van de gereformeerde beginselen
-
Het bestuderen van de diverse levens- en wereldbeschouwingen in het licht van die gereformeerde beginselen
-
Het bestuderen van de mogelijkheden en wijzen van toepassing van deze beginselen in de huidige maatschappij.
Deze doelen beogen kort samengevat het creëren van gereformeerd kader in universiteit, kerk en maatschappij; verenigen van gereformeerde studenten, vormen van deze studenten en uitdragen van de gereformeerde boodschap in de volle breedte van de maatschappij. Het 'werkdocument voor de bezinning op de C.S.F.R.' uit 1996 gaat in op deze drieslag van verenigen, vormen en uitdragen.
De disputen
Sinds in 1951 de contacten tussen studenten in Delft en Utrecht leidden tot oprichting van de C.S.F.R. is de vereniging groter en groter geworden. Lag het zwaartepunt voor de leden aanvankelijk bij de landelijke bijeenkomsten, inmiddels wordt het merendeel van de activiteiten op plaatselijk niveau georganiseerd.
In de loop van de tijd is er dan ook een achttal disputen opgericht: 'Johannes Calvijn' te Delft (1950), 'Sola Scriptura' te Utrecht (1951), 'Am.St.E.Lo.D.A.M.E.N.S.E.' te Amsterdam (1958), 'Ichthus' te Rotterdam (1959), 'Panoplia' te Leiden (1963), 'Dei Gratia' te Wageningen (1971), 'Yir' at 'Adonay' te Groningen (1976), Emet Qenee' te Tilburg/Eindhoven (1994) en 'Quo Vadis' te Nijmegen (2008).
Op de disputen worden bijbelkringen, studiekringen, lezingen, dispuutsweekenden en plenaire vergaderingen georganiseerd. Verantwoordelijk hiervoor, evenals voor de algemene gang van zaken, zijn de dispuutsbesturen: drie tot zes leden, elk met een eigen functie en een eigen verantwoordelijkheid. Per dispuut is de samenstelling van het bestuur verschillend, maar in ieder bestuur vindt men een praeses (voorzitter), ab-actis (secretaris, soms bijgestaan door een vice-ab-actis) en fiscus of quaestor (penningmeester). Deze laatste ziet zich soms geplaatst in de dubbelfunctie fiscus-assessor. In andere gevallen is er een aparte assessor of adiutor (toegevoegd bestuurslid).
Commissies ondersteunen de besturen bij hun taak, door een deel van de werkzaamheden over te nemen.
Het landelijke verband
Hoewel de betrokkenheid van het gemiddelde lid bij de landelijke C.S.F.R. niet zo groot is als de betrokkenheid bij het dispuut, doet 'het landelijk' ter zake. Alle leden worden namelijk eerst op een landelijke vergadering geïnstalleerd, voordat de disputaire installatie volgen kan. Verdere activiteit op landelijk gebied staat de leden vrij; ervaring leert dat landelijke inzet veel bevrediging en leuke contacten oplevert.
Het landelijke bestuur, bestaande uit een praeses, vice-praeses, ab actis, vice-ab actis en fiscus, onderhoudt contacten met kerken, organisaties zoals IFES, R.R.Q.R. en zusterverenigingen. Ook bezoekt dit bestuur jaarlijks twee keer alle disputen en organiseert overlegbijeenkomsten voor dispuutsbesturen. Zo geeft het bestuur optimaal uiting aan haar platform-functie en blijven onderlinge contacten tussen de dispuutsbesturen mogelijk.
Minstens drie maal per jaar (rond pasen, 's zomers en rond de jaarwisseling) krijgen alle leden van de disputen de gelegenheid om zich te laten horen op de landelijke huishoudelijke vergaderingen. Op deze vergaderingen, waar ook de nieuwe leden worden geïnstalleerd, wordt gesproken over het beleid van het bestuur en vinden bestuursverkiezingen en -wisselingen plaats. Ook landelijke commissies, die u kunt vinden op de website www.csfr.nl, leggen hier verantwoording af van hun activiteiten.
Deels vinden de huishoudelijke vergaderingen plaats tijdens een landelijke conferentie. Op deze conferenties, waar leden van alle disputen aanwezig zijn, worden rond een thema lezingen, workshops en bijbelstudies gehouden. Ook sport en amicitia hebben zich een vaste plek verworven op de Zomer- en Winterconferenties.
De Civitate
Nog voordat de C.S.F.R. bestond, was er reeds een periodiek: het hierboven reeds genoemde 'Wapenveld', dat bedoeld was als discussieplatform voor studenten uit de gereformeerde gezindte. In 1956 werd het blad gesplitst in 'De Civitate', het officiële orgaan van de C.S.F.R., en 'Wapenveld', orgaan voor reünisten van de C.S.F.R. Sindsdien komt dit blad een keer of zes per jaar uit. Vaste onderdelen van 'De Civitate' zijn de voorbereidingsartikelen op conferenties, dispuutsnieuws en een uitgebreide recensie-rubriek waarin ieder lid van de C.S.F.R. boeken van de recensielijst of op eigen initiatief kan bespreken. Ook vrije artikelen krijgen een plaats in het verenigingsorgaan.
Deze profielschets is grotendeels overgenomen uit de SAC-gids, hoofdstuk 1, uitgave 2002-2003.
|